Gepubliceerd op 30 oktober 2026
Schijnbesluiten: misbruik van bevoegdheid?
Deze week vroeg een cliënte mij of zij de overheid in gebreke moest stellen. Zij heeft maanden geleden een optieverklaring afgelegd om haar in januari onbewust verloren Nederlanderschap terug te krijgen, en de wettelijke beslistermijn is al lang verstreken. Juridisch is het antwoord eenvoudig: ja, dat mag, en de wet koppelt er een dwangsom aan. Toch was mijn advies: liever niet. In dit artikel leg ik uit waarom.
Eerst iets dat ik in dit stuk vaker zal herhalen. Dit gaat niet over immigratie. Het gaat over Nederlanders en oud-Nederlanders* veelal in Nederland geboren en getogen, en over hun recht op de Nederlandse nationaliteit. *Voormalig-Nederlander is een betere term dan oud-Nederlander.
Wat de wet belooft
De overheid mag niet eindeloos over een beslissing doen. Voor veel besluiten staat in de wet een maximale termijn. Staat er niets, dan moet zij binnen een redelijke termijn beslissen, en die is in elk geval verstreken als er na acht weken geen besluit en geen bericht is (artikel 4:13 Awb). Een paar voorbeelden uit het nationaliteitsrecht:
- Optie: dertien weken na de inontvangstneming van de verklaring, één keer te verlengen met ten hoogste dertien weken (artikel 6, vijfde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap).
- Naturalisatie: een jaar na betaling van de leges of na ontvangst van de gevraagde aanvulling, ten hoogste twee keer zes maanden aan te houden (artikel 9, vierde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap).
- Paspoort: vier weken (artikel 41, eerste lid, Paspoortwet). Ook als de overheid eerst onderzoekt of de aanvrager nog Nederlander is blijft het een aanvraag waarop zij tijdig moet beslissen; zij kan de termijn alleen opschorten of verlengen zoals de wet dat toelaat.
Is de termijn verstreken, dan kan de betrokkene het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke stellen. Beslist het daarna niet binnen twee weken, dan is het van rechtswege een dwangsom verschuldigd, dat kan oplopen tot ten hoogste € 1.442 (artikel 4:17 Awb). Hij of zij kan dan ook zonder bezwaarprocedure naar de rechter.
Wat er in de praktijk kan gebeuren
Wie een ingebrekestelling stuurt, zet een klok van twee weken in gang. Het bestuursorgaan kan dan alsnog in die 14 dagen zorgvuldig beslissen. Het kan ook snel beslissen, en een snel besluit is in de ervaring van mij en mijn collega’s vaak een afwijzing. Een afwijzing stopt de dwangsom net zo goed als een toewijzing.
Zo’n besluit waarbij de dwangsom een rol speelt noem ik een schijnbesluit: een besluit dat vooral wordt genomen om de klok stil te zetten, niet om de zaak werkelijk te beoordelen. Dat is mijn eigen term, geen juridische.
Na een afwijzing begint het pas: bezwaar, misschien beroep, maanden of zelfs jaren extra, en kosten voor de cliënt. Wie eenmaal een afwijzing heeft, moet de overheid vervolgens overtuigen een eigen besluit te herzien. In mijn ervaring is dat moeilijker dan haar overtuigen om een nieuw besluit goed te nemen.
Ik adviseer normaal tegen een ingebrekestelling. Maar waar cliënten er toch een sturen, of er al eerder een hadden gestuurd, zie ik in mijn eigen praktijk dat opvallend veel van de besluiten die daarop volgen zwak zijn. Ik begon zelf al te vermoeden dat er te snel was beslist. Waarom, wist ik eerst niet. Toen ik verder zocht, bleek het een oud probleem.
Voorzien, gemeten en erkend
Het risico is al ruim twintig jaar voorzien, gemeten en erkend:
- De indieners van de Wet dwangsom schreven het in 2005 zelf in de memorie van toelichting: een bestuursorgaan zou bij ontvangst van een ingebrekestelling, „ter voorkoming van het moeten betalen van een dwangsom, snel en mogelijk niet goed onderbouwd een afwijzend besluit kunnen nemen.” (Kamerstukken II 29 934, nr. 3, p. 3). Zij schatten dat risico laag in en rekenden op politiek toezicht. Een wettelijke waarborg kwam er niet.
- De Raad van State vroeg in zijn advies om te laten onderzoeken of de dwangsom „leidt tot minder zorgvuldige besluiten” (Kamerstukken II 29 934, nr. 4).
- In een 2009 onderzoek naar de wet zei 12 procent van de ondervraagde gemeenten zelf dat tijdsdruk tot meer afwijzingen leidt, en 17 procent dat de kwaliteit van besluiten onder druk staat; bij gemeenten met meer dan 100.000 inwoners was dat 35 procent (Monitor Wet dwangsom, eindrapport, p. 34–35). Dat zijn de bestuursorganen zelf, zelfkritiek.
- De WODC-evaluatie van 2013 constateerde, in de woorden van de minister in 2020, „dat de kwaliteit van de besluitvorming soms onder druk komt te staan van de beslistermijn” (Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 2609).
- De rijkscirculaire schrijft voor dat een ingebrekestelling „met prioriteit” wordt afgehandeld. Zij stelt ook vast dat de vraag of er een besluit is genomen „los” staat van de juistheid ervan (Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, 2019).
- Een advocatenkantoor in het vreemdelingenrecht schrijft openlijk dat advocaten „terughoudend” zijn met ingebrekestellingen, „omdat dit soms kan leiden tot overhaast genomen beslissing”.
Wat ontbreekt, is bewijs van opzet. Ik heb nergens openbare cijfers gevonden over hoeveel besluiten die na een ingebrekestelling worden genomen afwijzingen zijn. In 2017 kon de IND de gronden van zijn afwijzingen in gezinsherenigingszaken niet eens uit zijn systemen halen (Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 1988).
Juridisch vraagt misbruik van bevoegdheid (artikel 3:3 Awb) bewijs van een bewuste handeling voor een onwettelijk doel. Ik gebruik het woord in dit artikel daarom in de gewone betekenis, niet in de juridische. Het doel en de bewuste handeling kan ik juridisch niet bewijzen. Wat wel kan, is een zwak besluit aanvechten op wat het is: onzorgvuldig voorbereid of onvoldoende gemotiveerd. Dat werkt ook. Op 5 februari 2025 vernietigde de Raad van State een besluit van de minister van Buitenlandse Zaken over de evenredigheidstoets na verlies van het Nederlanderschap, omdat het onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd (ECLI:NL:RVS:2025:421). Maar die uitspraak kwam bijna vier jaar na het besluit op bezwaar. Benoemen kan ik het probleem nu al.
Waar het vandaan komt – mijn duiding
Wat volgt, is mijn interpretatie en geen vaststelling.
Dwangsommen kosten de overheid geld en zijn politiek zichtbaar. De IND betaalde in 2024 € 36,8 miljoen aan dwangsommen en in 2025 ongeveer € 79 miljoen. De directeur-generaal van de IND zei in februari 2026 dat de dwangsommen „zo snel mogelijk afgeschaft” moeten worden (IND-jaarcijfers 2025). Buitenlandse Zaken kondigde in 2025 de sluiting van zeven posten aan, in het kader van een bezuiniging van 10 procent (Kamerbrief van 25 september 2025). NederlandWereldwijd meldt zelf dat het aanvragen van een optieverklaring „momenteel langer dan normaal” duurt.
Bij de IND gaat het minder om bezuinigen dan om structureel te weinig geld toegedeeld krijgen voor het werk. De IND schrijft in zijn eigen jaarplan voor 2026 dat de wisselende financiering „knelpunten in de financiering van de IND” heeft veroorzaakt en dat „er niet nog meer bij kan op het bord van de IND”. Hij reserveert € 50 miljoen voor dwangsommen. De Algemene Rekenkamer schreef in september 2025 dat dat geld het onderliggende probleem niet oplost: de IND handelt asielaanvragen niet op tijd af. Het is diezelfde IND die bij de herkrijging van het Nederlanderschap het advies over de evenredigheid geeft, en die over naturalisatie beslist.
Wie in zo’n organisatie beslist, staat onder druk om geen dwangsommen te laten oplopen. Of daar interne doelen of prestatie-indicatoren bij horen, weet ik niet; ik zou het graag weten. Ik vermoed dat een individuele beslisser in die situatie eerder kiest voor een afwijzing dan voor een dwangsom op zijn naam. En ik verwacht dat met elke bezuiniging meer Nederlanders en oud-Nederlanders hiervan het slachtoffer worden.
Waar het het hardst raakt: zaken met ruimte voor interpretatie
Een schijnbesluit is het makkelijkst te nemen waar de wet ruimte laat. Twee voorbeelden.
Het eerste is de herkrijging van het Nederlanderschap na het arrest Tjebbes.
In 2019 oordeelde het Hof van Justitie dat bij verlies van het Nederlanderschap, en daarmee van het Unieburgerschap, per persoon moet kunnen worden getoetst of dat verlies evenredig is (HvJEU 12 maart 2019, C-221/17). Sinds 1 april 2022 kan dat via een optie (artikel 6, eerste lid, onder p, RWN). In mijn ogen is de uitvoering op verschillende punten smaller geworden dan het arrest.
De uitkomst laat zich raden. In bijna 4 procent van de geregistreerde adviesverzoeken oordeelde de IND dat het verlies onevenredig was; in 90 procent oordeelde hij van niet (IND, Invoeringstoets Tjebbes, juli 2023).
Het tweede voorbeeld is de paspoortaanvraag waarbij de overheid twijfelt of de aanvrager nog wel Nederlander is. De wet geeft voor een paspoort aanvraag vier weken. Een cliënt van mij zit inmiddels in het tweede jaar van zijn paspoortaanvraag. Ook in zulke zaken moet de overheid oordelen over oude documenten en feiten die vaak twee kanten op kunnen worden gelezen.
Waar bewijs twee kanten op kan worden gelezen, is een afwijzing altijd te motiveren. Daar is het risico van een schijnbesluit het grootst.
Mijn advies
Ik ben verplicht mijn cliënten te wijzen op de ingebrekestelling. Ik ben ook verplicht hen te waarschuwen voor wat er in de praktijk kan gebeuren. Daarom adviseer ik in zaken waarin het oordeel een afweging is, zoals de evenredigheidstoets, vaak af te zien van een ingebrekestelling. Een snelle afwijzing levert de cliënt geen Nederlanderschap op, maar bezwaar, beroep, tijd en kosten.
Wat dan wél? Helaas vraag ik vaak om geduld. Er zijn andere manieren om aandacht voor een zaak te krijgen, maar welke werkt, moet per geval worden bekeken. En vaak heb ik een plan B, en soms een plan C.
Er zijn advocaten en juristen die zonder aarzeling een ingebrekestelling sturen en de afwijzing die daarop volgt vervolgens bestrijden in bezwaar en beroep. Juridisch is dat verdedigbaar. Of het de cliënt dient, betwijfel ik vaak. Voor een advocaat is een procedure werk. Voor een cliënt is het tijd, geld en onzekerheid. En het doel van mijn cliënt is niet een procedure, maar zijn of haar Nederlanderschap.
Wie een cliënt een route adviseert met een reëel risico op een snelle afwijzing, gevolgd door maanden of jaren bezwaar en beroep, laat die cliënt betalen voor een probleem dat te vermijden was. Ik zeg niet dat iedere collega zo werkt, en ik wijs niemand aan. Ik zeg wel dat in ons vak de prikkel om te procederen bestaat, en dat die prikkel niet altijd samenvalt met het belang van de cliënt. Wie daar eerlijk over is, moet dat ook tegen zijn cliënt zeggen.
Zo werk ik niet. Wanneer ik advies geef, weeg ik alle mogelijke uitkomsten af, ook de praktische, en kies ik de route die mijn cliënt het snelst en het goedkoopst, of volgens mijn client het beste, bij een positief besluit brengt. Mijn advies mag natuurlijk worden genegeerd. Wil een cliënt na dit advies toch een ingebrekestelling sturen, dan ondersteun ik dat volledig. En is een besluit eenmaal genomen en onjuist, dan zijn bezwaar en beroep wel degelijk de weg en voer ik die strijd ook, tenzij ik een plan B kan adviseren dat sneller tot het doel leidt.
Wanneer een ingebrekestelling wél zinvol is
Waar het dossier een zwart-witbeslissing draagt, blijft de ingebrekestelling een goed middel. Dan zijn de voorwaarden aantoonbaar vervuld en is een afwijzing overduidelijk fout.
Wie in het nieuws gehoord heeft dat de dwangsom is afgeschaft, nee niet overal. Sinds 15 april 2025 geldt er in vreemdelingenzaken geen bestuurlijke dwangsom meer. De wet die dat regelt, wijzigt alleen de Vreemdelingenwet 2000: het nieuwe artikel 71b sluit de dwangsom uit voor besluiten op aanvragen op grond van die wet (Stb. 2025, 96). Een optie, een naturalisatie of een paspoort berust niet op de Vreemdelingenwet; daar geldt de dwangsom dus nog gewoon. En ook in vreemdelingenzaken blijft een ingebrekestelling mogelijk; alleen de bestuurlijke dwangsom is vervallen.
In januari 2026 oordeelde de rechtbank Den Haag dat die afschaffing in asielzaken niet in strijd is met het Unierecht, maar legde zij wel een rechterlijke dwangsom op (ECLI:NL:RBDHA:2026:903). Bij wet van 14 oktober 2026 wordt ook die rechterlijke dwangsom in vreemdelingenzaken afgeschaft (Stb. 2026, 315); de wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Opvallend vind ik dat de wet van 2025 de minister over drie jaar een verslag laat uitbrengen met bijzondere aandacht voor het aantal tijdig genomen besluiten. Weer wordt geteld of er op tijd is beslist, niet of er goed is beslist. Maar ook waar de dwangsom blijft bestaan, verandert dat niets aan het probleem.
Nogmaals: dit gaat voor mij niet over vreemdelingen. Het gaat over mensen met een recht op de Nederlandse nationaliteit.
Het afhouden van aanvragen
Er is nog een manier om onder een beslistermijn uit te komen, en die is eenvoudiger dan een schijnbesluit: zorgen dat de klok niet gaat lopen.
Een beslistermijn begint pas als de aanvraag of verklaring binnen is. Bij een optieverklaring beslist de overheid „binnen dertien weken na de inontvangstneming van de verklaring” (artikel 6, vijfde lid, RWN). Een paspoort moet er zijn „uiterlijk binnen vier weken na de dag van de aanvraag” (artikel 41, eerste lid, Paspoortwet).
En beide moet je in persoon doen. Een optieverklaring wordt „in persoon afgelegd” (artikel 3, eerste lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). In het buitenland gebeurt dat bij de diplomatieke of consulaire post „in het ressort waar de optant zijn hoofdverblijf heeft” (artikel 25, eerste lid). Een andere post neemt de verklaring niet in behandeling (artikel 25, vierde lid), en een burgemeester alleen als je in zijn gemeente woont of verblijft (artikel 7). Per post kan niet. Bij een paspoort „dient [de aanvrager] persoonlijk voor de bovenbedoelde autoriteit te verschijnen” (artikel 28, derde lid, Paspoortwet).
Je hebt dus een afspraak nodig. In Nederland krijg je bij veel gemeenten binnen een week een afspraak voor een paspoort, ook bij gemeenten die het financieel moeilijk hebben. Bij Buitenlandse Zaken gaat het anders. De afspraken lopen meestal via een systeem van een extern bedrijf met een beperkt aantal tijdsloten. Er is geen wachtrij. Het systeem toont een maand of twee vooruit, en die zijn meestal vol. Komen er nieuwe plekken vrij, dan krijgt wie op dat moment toevallig kijkt de afspraak: wie het eerst klikt, het eerst maalt. Wie overdag werkt, voor kinderen of ouders zorgt of niet handig is met een computer, wacht langer dan wie drie keer per dag kijkt. Bij een cliënt van mij duurde het rond de zes maanden voordat er een afspraak beschikbaar was, en dat was niet ongewoon volgens belangengroepen en andere Nederlanders in het land.
Dat is geen incident. Buitenlandse Zaken schrijft het zelf op NederlandWereldwijd: „Er is een beperkt aantal afspraken beschikbaar bij de Nederlandse ambassade in ….” En voor wie niets vindt: „Is er geen afspraak vrij? Probeer het later opnieuw.” In juni 2025 erkende de minister van Buitenlandse Zaken tegenover de Tweede Kamer „dat het afsprakensysteem van het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet optimaal functioneert. Het is verouderd”. Het systeem „is namelijk gebaseerd op de innamecapaciteit”. Er zijn dus zoveel afspraken als de post wil innemen, niet zoveel als er Nederlanders zijn die hun recht willen uitoefenen.
Hoe groot het probleem is, meet de overheid niet. Organisaties van Nederlanders in het buitenland doen het wel. In een enquête van NIHB en Stichting GOED (oktober 2025, ruim 700 deelnemers) kreeg 13,5 procent pas na drie maanden een afspraak; voor sommigen liep het op tot vijf maanden. In een enquête van de Stichting Nederlanders Buiten Nederland (september 2026, 310 deelnemers in 35 landen) had 58 procent problemen bij het maken van een afspraak, en moest 10 procent langer dan drie maanden wachten. Zelfs de Nationale ombudsman heeft er op zijn website een eigen vraag voor: „Ik heb een paspoort nodig, maar een afspraak maken duurt lang”.
Een officiële wachtrij bestaat niet. Wie geen wachtrij bijhoudt, weet niet wie er wacht. En wat je niet meet, kan je ook niet verantwoorden. Onmogelijk is een wachtrij niet: in dezelfde brief van juni 2025 schrijft de minister dat het ministerie „zal onderzoeken” of een systeem zoals dat van de Sociale Verzekeringsbank, waarin de burger vooraf aangeeft wanneer hij een aanvraag wil doen, „ook voor BZ een oplossing biedt”.
Geen recht op een afspraak
Je hebt recht op een paspoort, recht op je optie, en recht op een besluit binnen een termijn. Maar nergens staat dat je recht hebt op een afspraak. Dat is niet alleen mijn lezing. In 2014 schreef de minister van Buitenlandse Zaken al aan de Kamer: „De Paspoortwet stelt geen norm voor de wachttijden bij het maken van een afspraak. Belangrijk is dat deze wachttijden redelijk zijn.” De wachttijd op Schiphol, waar Nederlanders uit het buitenland een paspoort kunnen aanvragen, was toen „minder dan een week”. Volgens NederlandWereldwijd is dat nu 12 tot 14 weken, in Den Haag 15 weken en in Oldambt 16 tot 18 weken. Ook die uitwijkmogelijkheid zit dus vol. Wat redelijk is, heeft niemand vastgelegd.
De maanden die iemand op een afspraak wacht, tellen dus nergens mee. In de cijfers over tijdig beslissen bestaan ze niet.
En wachten is niet zonder risico. Wie als meerderjarige naast de Nederlandse een andere nationaliteit heeft en buiten de Europese Unie woont, kan het Nederlanderschap van rechtswege verliezen (artikel 15, eerste lid, onder c, RWN). Die termijn wordt gestuit door „de verstrekking” van een paspoort, identiteitskaart of verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap (artikel 15, vierde lid). Niet door de afspraak, niet door de aanvraag: maar door de afgifte. Wie geen afspraak krijgt, kan zijn nationaliteit verliezen terwijl hij wacht in een rij die niet bestaat. In een zaak die de Raad van State in maart 2026 besliste, had iemand tijdens de coronapandemie geen afspraak kunnen maken voor een nieuw paspoort. Dat was volgens de rechtbank „niet relevant”, omdat het Nederlanderschap toen al verloren was (ECLI:NL:RVS:2026:1387).
Het Europese recht kijkt anders naar toegang. Lidstaten „verstrekken hun burgers overeenkomstig hun wetgeving een identiteitskaart of een paspoort” (artikel 4, derde lid, Richtlijn 2004/38/EG). Het Hof van Justitie oordeelde in Tjebbes (C-221/17, 2019) dat de overheid bij een aanvraag van een paspoort moet toetsen of het verlies van het Nederlanderschap evenredig is. In 2023 (C-689/21) voegde het Hof daaraan toe dat een termijn voor die toets pas mag lopen als de betrokkene daarover behoorlijk is geïnformeerd; anders wordt het recht in de praktijk onmogelijk gemaakt. Maar ook die toets begint pas bij de aanvraag.
In een andere situatie, gezinshereniging, oordeelde het Hof in april 2023 dat een lidstaat niet zonder uitzondering mag eisen dat een aanvraag in persoon bij een diplomatieke post wordt ingediend, als dat onmogelijk of buitengewoon moeilijk is (C-1/23 PPU). Dat ging over familieleden van vluchtelingen, niet over Nederlanders op een ambassade. Het principe is wel hetzelfde: een recht dat je alleen aan een loket kunt uitoefenen, is zo sterk als de toegang tot dat loket.
Aan het loket
En wie eindelijk aan het loket staat, is er nog niet. Het komt voor dat stukken aan het loket vooraf worden bekeken en iemand wordt weggestuurd zonder dat de verklaring of aanvraag in ontvangst is genomen. Formeel is er dan niets ingediend: geen datumstempel, geen termijn, geen besluit, en dus ook geen mogelijkheid tot bezwaar. Of dat wegsturen aan de balie of over de telefoon terecht was, toetst niemand.
De wet bedoelt het andersom: eerst innemen, dan beoordelen. Optieverklaringen „worden bij ontvangst voorzien van een datum en een dienststempel” (artikel 25, vijfde lid, Besluit). Na betaling van het optiegeld beoordeelt de minister de verklaring „op haar volledigheid. Zo nodig verzoekt hij om aanvulling van de gegevens” (artikel 26, tweede lid). De autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, beoordeelt de gronden „aan de hand van de haar overgelegde stukken” (artikel 6, derde lid, RWN). Ontbreekt er iets, dan volgt een verzoek om aanvulling, en uiteindelijk een besluit waartegen bezwaar openstaat. Wegsturen aan de balie of over de telefoon staat nergens.
De rechter kijkt daar ook zo naar. In een naturalisatiezaak wees de Raad van State in april 2024 op de eigen Handleiding van de overheid: wil iemand toch indienen, dan „moet de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen”. Een burgemeester die het verzoek bewust onder zich had gehouden, mocht dat „niet ten nadele van” de verzoeker laten werken (ECLI:NL:RVS:2024:1697). De rechtbank Rotterdam oordeelde al in 2010 dat iemand die vóór een wetswijziging zonder afspraak aan de balie stond, moest worden geacht zijn verzoek te hebben kunnen indienen: hem had „de gelegenheid moeten worden geboden” (ECLI:NL:RBROT:2010:BL8629).
Maar in die zaken stond er al iets op papier. Wie geen afspraak krijgt, heeft niets in handen. Ik heb geen uitspraak gevonden waarin een lange wachttijd voor een afspraak gelijk wordt gesteld met te laat beslissen. Daar zit het gat.
En klagen?
Iedereen mag klagen over „de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen” (artikel 9:1 Awb). Wie maanden geen afspraak krijgt of aan de balie wordt weggestuurd, klaagt over precies zo’n gedraging. Toch krijg je dan te horen dat het bewust beleid is, en dat je over beleid niet kunt klagen. Ook stelt men dat de Nationale ombudsman niet bevoegd is voor „het algemeen beleid van het betrokken bestuursorgaan” (artikel 9:22 Awb). Zo verdwijnt de klacht van de individuele burger in het algemene beleid, en het algemene beleid valt buiten bereik. Ik heb het probleem bij de Nationale ombudsman aangekaart. Een openbaar onderzoek naar de consulaire afspraken is er blijkbaar tot nu toe niet.
Het afhouden van afspraken is in mijn ogen net zo goed een manier om onder een verantwoordelijkheid uit te komen als een schijnbesluit. Het is alleen nog onzichtbaarder. Er is geen aanvraag, dus geen termijn die verloopt, dus ook geen ingebrekestelling mogelijk.
Wat er moet veranderen
- Een wettelijke termijn voor toegang: een afspraak binnen een vaste termijn. De burger moet zich ook aan termijnen houden of anders kan men zelfs zijn nationaliteit verliezen. De ambtenaar heeft geen zulke drastische gevolgen te vrezen.
- Een wachtrij in plaats van een loterij. Het ministerie onderzoekt het zelf al; laat het niet bij onderzoeken blijven.
- Eerst innemen, dan beoordelen, zoals het Besluit voorschrijft. Geen voorselectie aan de balie. Advies en hulp, natuurlijk, maar houd een aanvraag niet af.
- Publiceer de wachttijden per consulaire post, zoals dat voor de grensgemeenten al gebeurt.
- Maak de optieverklaring of paspoort aanvraag op afstand mogelijk, met identificatie op een later moment. Sinds 1 januari 2026 mag iedereen berichten in een procedure over een besluit elektronisch aan de overheid sturen (artikel 2:13 Awb). Voor optie en paspoort blijft persoonlijke verschijning de regel.
Wie wacht op een afspraak, bestaat voor de wet niet. Zolang dat zo is, bestaan ook de rechten van die wachtende niet echt.
Het grotere probleem
Bezuinigingen op de uitvoering raken rechten. Dat weten we sinds de toeslagenaffaire, en we zien het in het vreemdelingenrecht. Wat minder bekend is: het raakt ook Nederlanders, en oud-Nederlanders die hun nationaliteit terug willen, zowel in Nederland als in den Vreemde. Ik noem het wat het in mijn ogen is: onrecht. En het treft niet alleen migranten en vluchtelingen, maar ook Nederlanders.
Het is aan de overheid en aan de Kamer om dit te laten onderzoeken. Een eenvoudige eerste stap: tel het. Registreer hoeveel besluiten binnen twee weken na een ingebrekestelling worden genomen, hoeveel daarvan afwijzingen zijn, en hoeveel van die afwijzingen in bezwaar of beroep geen stand houden. Een overheid die recht wil doen, wil dat weten. Tel ook wat er gebeurt vóórdat de klok gaat lopen: hoe lang mensen op een afspraak wachten, en hoe vaak iemand aan de balie wordt weggestuurd.
Tot slot
- Een besluit dat de klok stilzet, is nog geen beslissing in de zaak.
- Een dwangsom die niet hoeft te worden betaald, is nog geen recht dat is gedaan.
- Een afspraak die niet te krijgen is, is nog geen toegang tot je recht.
- En wie zijn Nederlanderschap terug wil, is geen immigratiezaak, ook al behandelt de procedure hem soms zo.
Herkent u dit, als cliënt of als collega?
Kris von Habsburg
Auteur “Van Rechtswege Verloren”
Bronnen
- Kamerstukken II 29 934, nr. 3 (memorie van toelichting Wet dwangsom), p. 3 – zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29934-3.pdf
- Kamerstukken II 29 934, nr. 4 (advies Raad van State, W03.04.0616/I, 1 april 2005) – zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29934-4.html
- Monitor Wet dwangsom, eindrapport (BMC Onderzoek), p. 34–35 – zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-189078.pdf
- B.J. Schueler e.a., Evaluatie van een drietal versnellingsinstrumenten uit de Awb, WODC 2013 (rapport 2172), aangehaald in Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 2609
- Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 1988 (antwoorden 8 en 9)
- Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (2019), BWBR0042026, §§ 1.1 en 3
- IND-jaarcijfers 2025 (februari 2026), via socialevraagstukken.nl
- Kamerbrief over de tijdlijn voor het sluiten van ambassades en consulaten-generaal, 25 september 2025
- NederlandWereldwijd, pagina optieprocedure (geraadpleegd 28 oktober 2026)
- HvJEU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189 (Tjebbes)
- IND-werkinstructie 2022/6, Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
- IND, Invoeringstoets Tjebbes: evenredigheidstoets na automatisch verlies Nederlanderschap, juli 2023, p. 5 en 21
- Artikel 4:13 Awb; artikel 6, vijfde lid, en artikel 9, vierde lid, RWN; artikel 41, eerste lid, Paspoortwet
- Wet van 2 april 2025, Stb. 2025, 96 (Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken), artikelen I, IA en IV
- Rechtbank Den Haag 20 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:903
- Wet van 14 oktober 2026, Stb. 2026, 315, artikelen IA, IB en V
- Raad van State 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:421, r.o. 7.3–12.1
- IND, Jaarplan 2026 „Op koers blijven in turbulente tijden”, p. 3, 15, 19 en 20
- Algemene Rekenkamer, brief over de ontwerpbegroting 2026 van het ministerie van Asiel en Migratie, 23 september 2025, p. 7
- Rijkswet op het Nederlanderschap, artikelen 6 (derde en vijfde lid) en 15 (eerste lid, onder c, en vierde lid).
- Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, artikelen 3, 7, 25 en 26.
- Paspoortwet, artikelen 26, 28 en 41.
- Algemene wet bestuursrecht, artikelen 2:13, 9:1 en 9:22.
- Richtlijn 2004/38/EG, artikel 4, derde lid.
- Kamerstukken II 2014/15, 25 764, nr. 86 (brief minister van Buitenlandse Zaken, 4 november 2014).
- Kamerstukken II 2024/25, 25 764, nr. 153 (brief minister van Buitenlandse Zaken, 26 juni 2025).
- NederlandWereldwijd: Afspraak maken Verenigd Koninkrijk; Paspoort aanvragen in het Verenigd Koninkrijk; Paspoort aanvragen bij een grensgemeente of op Schiphol (geraadpleegd 29 oktober 2026).
- Nationale ombudsman, Hulp aan Nederlanders in het buitenland (geraadpleegd 29 oktober 2026).
- NIHB en Stichting GOED, Paspoort vernieuwen in het buitenland (enquête oktober 2025).
- Stichting Nederlanders Buiten Nederland, Enquêterapport VFS Global (september 2026).
- ABRvS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1697; ABRvS 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1387; Rb. Rotterdam 22 maart 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL8629.
- HvJ EU 5 september 2023, C-689/21 (X); HvJ EU 18 april 2023, C-1/23 PPU.
Dit bericht geeft de stand van zaken op 30 oktober 2026. Wet en praktijk kunnen sindsdien zijn veranderd.
